Zoölogisch park

 

Ergens in de 120 ha bossen van Massembre zijn er 7 ha gereserveerd voor het zoölogisch park. Je vindt er herten, reeën, everzwijnen, reebokjes en damherten. Je kan ze elk moment van de dag gaan observeren.

 

Elke ochtend om 10.30 u worden ze gevoederd!

 


Dieren voederen

 

Elke ochtend, om 10.30 u. kan je onze boswachter helpen bij het voederen van de dieren. In het zoölogisch park zitten zelfs hertjes die uit je hand komen eten. Het park bevindt zich op tweehonderd meter diep in het bos, links van de receptie.

 

Hieronder vind je wat meer info over de dieren zelf, om je bezoek voor te bereiden.

Het hert

 

Een hert kom je uitsluitend tegen in een bosrijke omgeving.
Een mannelijk volwassen dier weegt tussen de 160 en 250 kg. Een hert draagt een gewei, geen horens.
Zijn vrouwelijke collega, de ree (la biche) weegt tussen de 90 en 130 kg. Hun vacht is rossig en grijs-bruin in de winter.

Tot zes maanden wordt het mannetje 'hertekalf' (le faon) genoemd. Van zes maanden tot een jaar noemt men hem 'zesmaands hertekalf' (le hère), daarna 'spieshert' (le daguet) tot hij drie jaar wordt. Het vrouwtjesdier wordt 'hindekalf' (le faon) genoemd het eerste jaar, daarna 'jonge hinde' (la bichette) en vanaf het derde jaar 'ree' (la biche).

Het hert is een herkauwer die zowel gras, struiken, als jonge scheuten en soms schors eet.

Het gewei kan tot 10 kg wegen. Het valt elk jaar af tussen februari en april. Onmiddellijk daarna gaat het nieuwe gewei groeien in een zacht vachtje. In juli of augustus lost de vacht om het gewei en stopt de groei van het gewei. Door met zijn gewei tegen bomen aan te schurken wordt de vacht stilletjesaan volledig verwijderd.

De bronstijd (le brâme) begint in september; je kan dan het burlen van de herten horen. De herten betwisten dan de uitverkoren wijfjes. De winnaar bezwangert de reeën. Na acht maanden komt telkens één hertekalf ter wereld.

Het everzwijn

Het everzwijn heeft een immens lijf en een sterke kop en neus waarmee het in de grond wroet. Het mannetje kan tot 150 kg wegen. Het wijfje noemt men de zeug (le laie) en weegt zelden meer dan 100 kg.

Hun vacht wisselt twee maal per jaar: in de zomer en in de winter. Het jong everzwijn heet everjong (le marcassin) tot zijn zes maanden. Tot dan heeft hij een gelige vacht met zwarte strepen. Tussen een half jaar en een jaar verdwijnen de strepen en wordt de vacht rossig. Tussen één tot twee jaar verandert de pels naar zwart. Daarom wordt het dier dan ook dikwijls 'het zwarte beest' (la bête noire) genoemd.

Tussen hun één en twee jaar volgen de jongen in groep hun moeder; vandaar worden ze groepsdieren genoemd (bête de compagnie).

Het everzwijn wroet zonder ophouden in de bodem op zoek naar wormen, wat het bijzonder lekker vindt. Hij eet echt alles ! Overigens ook planten, struiken en kadavers.

Het everzwijn houdt ervan om zich te baden in een modderpoel (la souille) om zich te verfrissen, maar ook om zich te ontdoen van parasieten. Het everzwijn schuurt zich ook graag tegen bomen aan... op dewelke je dan uiteraard kan merken dat er everzwijnen in de buurt zijn.
Hij rust tijdens de dag uit in zo'n modderpoel.

Het wijfje werpt voor het eerst jongen na ongeveer twee jaar; ze is één tot twee maal per jaar zwanger. Telkens gaat het om twee tot zes everjongen.

Het damhert

 

Het damhert vind je in loofbossen in de Ardennen. Een damhert heeft een gemiddelde grootte van ongeveer 1,10 meter op schoft hoogte en weegt ongeveer 80 kg. Doorgaans heeft het damhert een witgevlekte vacht en heeft het een zwart en wit punt op zijn achterste, schild genoemd (l'écusson).

Het mannetje heeft een plat gewei; het wijfje, de damhinde (la daine) heeft geen gewei. Het gewei groeit stevig tot september en valt terug af in mei.
De mannetjes zijn eenlingen en vervoegen de wijfjes enkel in de bronstijd tussen oktober-november. De damhindes werpen slechts één kleintje: een herte- of hindekalf (le faon) na een dracht van 8 maanden.

In juli wordt ons oudste damhert 4 jaar.


De reegeit

 

Een volwassen reegeit (mannelijk 'reebok' of brocard in het Frans) weegt tussen de 20 tot 30 kg. Zijn pels is rossig in de zomer en grijs-bruin in de winter. Het mannetje heeft een 'kaduk gewei' (des bois caducs), waardoor men aangeeft dat het ook elk jaar afvalt. Op zijn achterste zit een witte stip (le miroir) in de vorm van een erwt.

Het vrouwtje wordt reegeit (chevrette) genoemd en draagt geen gewei. Haar witte stip op haar achterste heeft de vorm van een hart.

Het gewei van de reebok valt elk jaar in november af. Ook hier duwt zich al snel een gewei naar buiten in een zacht pelsje (le velours). Tussen maart en mei eindigt de groei en verdwijnt het pelsje. De grootte en de vorm van het gewei is elk jaar verschillend en hangt vooral van de gezondheid van het dier af.

De reegeit eet kruiden en al wat groen is, met een voorkeur voor jonge scheuten, struiken en klimop.

In mei werpt de reegeit in het algemeen twee jongen, die ze laat drinken tot ongeveer oktober. De jongen zijn erg fragiel en worden al eens bedreigd door vossen, everzwijnen of zelfs loslopende honden. Ze zijn soms slachtoffer van landbouwmachines of wandelaars die, door hen aan te raken, riskeren dat -door de nieuwe geur- de reegeit het jong achterlaat.